logo

Waterval 13, dialoog
Hoelang heb je geslapen?


 

 

1

Suzan en Sam zijn opgestaan, en ze hebben ontbeten.
Zij heeft Sam geïnformeerd over de lessen, hem
geholpen met de tijden.
nieuwe woorden

opstaan>opgestaan
ontbijten>ontbeten
helpen>geholpen
zijn-was-geweest
gaan>gegaan
ophebben: “Ik heb het op.”
eten>gegeten
krijgen>gekregen
vliegen>gevlogen
drinken>gedronken
kopen>gekocht
zoeken>gezocht
lopen>gelopen 

de pauze
de afspraak
het gedoe=de stress
de dommie
de zonde 

tijdens=gedurende
halverwege 
van .. tot

samen
gezellig  
graag-liever-liefst
blij, gelukkig
eigenlijk

ironisch {ie-ROO-nies}

misschien
daarstraks-juist-nu-zo-later

dat is jammer/zonde

 

Suzan:  Hoe laat is het nu?

 

Sam:  Het is... negen uur.

5

Suzan: Hè? Nu al? Juist was het nog maar acht uur.
De les is al over één uur!

 

Sam:  Om tien uur?

 

 

10

Suzan: Ja. De les duurt twee uur, van tien tot twaalf.
Ik ben gisteren al naar school
gegaan.
Om te beginnen: je moet je eten en drinken
ophebben.

Wij mogen in de les niets
eten .

 

Sam:    Urenlang niets eten en drinken! Heb je geen honger gekregen? 

 

 

15

Suzan:  Pech! Ach, ik moet zeggen: de tijd is gevlogen!En er is wel een pauze. Halverwege de les hebben we samen wat gedronken. Da’s (=Dat is) gezellig!

 

 

Sam:  Ja, “gezellig”: dat vinden Nederlanders belangrijk!Bah. Ik ga liever een sigaretje roken. (Sam houdt niet van gezellig)

 

20

Suzan:  Een paar leerlingen hebben in de pauze buiten gerookt .
Ik heb wat te eten gekocht.
Na de les kun je ook wat drinken, maar iedereen is toen naar huis gegaan. De mensen waren moe.
 

 

Sam is nu ingelicht, geïnformeerd. Maar hij is niet blij: 

 

25

Sam: Al die tijden en regels! Al dat rennen en vliegen!
Wat moeilijk! Wat een gedoe!

 

Suzan:  Voor jou misschien. Later begrijp jij het ook hoor, dommie. 

 

 

Sam:  Ja ja... Zullen we zo gaan? We komen anders te laat.
Afspraak is afspraak! Te laat komen is jammer! Zonde!
 

30

Suzan:  Doodzonde! 

 

Dat was ironisch. Maar toen hebben ze hun jassen en tassen gezocht.
En zijn ze richting school
gelopen.



 


 


 

Sara gaat naar beneden, naar de woonkamer.

nieuwe woorden
studeren
schreeuwt (schreeuwen)
haalt (halen)
dank (danken)
kom op!

de boodschap(pen)
het uur
het kwart (kwartier)
de klok
het lawaai
de tijd
de minuut (minuten)
de afspraak

nu/straks
laat < > vroeg
dan
van... tot om
over vanaf
voor uit


Sara:  

Papa, hoe laat is het?

Sam:
  Het is nu vier uur.
Sara:   Dat is nog vroeg. Straks, om vijf uur, ga ik boodschappen doen.
Sam:   Over een uur? Met Farid?
Sara:   Ja. Van vier tot vijf ga ik studeren. Ik heb maar een beetje huiswerk.

  Om kwart over vier is Sara klaar met Nederlands, om half vijf met Engels. Vanaf kwart voor vijf leest ze wat in een Nederlands boek. Dan roept ze naar beneden:
Sara:   EN HOE LAAT IS HET NU?
Sam:   Heb je geen klok? Het is vijf voor vijf. Wat een lawaai!
Sara:   DANK JE!

  Sara haalt Farid uit de kelder.
Sara:   Kom je? Het is tijd!
Farid:   Nog vijf minuten...
Sara:   Niks vijf minuten. Afspraak is afspraak. Kom op!