Waterval 33: De stad in

Lijn elf rijdt van Vrijburg, een buitenwijk, naar het centrum van de stad. In Vrijburg was het tamelijk druk, maar nu is er niet veel verkeer: de ochtendspits valt mee. Er zijn geen files.

Sara ziet de gebouwen: woonhuizen en flats, kerken, kantoren en bioscopen, warenhuizen en winkels, fabrieken en scholen, de bruggen, het stadhuis, het theater. In haar geboortedorp was alles nogal klein; in deze stad heb je best grote gebouwen. Haar ouders viel dat tegen: de overgang van het dorp naar de stad was vrij groot voor hen. Maar Sara voelt zich hier thuis, ze zou de stad missen.

Erg groot is de stad niet, ze heeft maar zo'n honderdduizend inwoners. Er zijn geen wolkenkrabbers, zoals in Rotterdam; zelfs geen echt hoge flats.
"Dit is maar een gezellig stadje", peinst Sara, als de bus de brug over de gracht neemt en naar het Stationsplein rijdt.
"Hoe zou het zijn om in een écht grote stad te wonen? Of zou ik liever in een dorp wonen, zoals vroeger?" Sara denkt na en rilt: ze wil niet terug. "Ik pakte meteen mijn koffers."

nieuwe woorden
peinzen=denken
meevallen<> tegenvallen
dat valt mee < >
dat valt tegen
rillen=bibberen

de buitenwijk <> het centrum=de binnenstad         de spits=het spitsuur
het gebouw      
het woonhuis 
de flat
de kerk             
het kantoor
de bioscoop      
de fabriek     
de brug             
het stadhuis   
het theater       
de overgang

1. helemaal niet = niet
2. niet zo = niet echt = niet erg
3. nogal = tamelijk = wel
4. redelijk = best = vrij
5. erg = heel = zeer
6. heel erg = ontzettend = geweldig = vreselijk = hartstikke...

zo'n tien =ongeveer tien
zoals
zelfs